Psychoanalyse en psychoanalytische therapie

Psychoanalytische psychotherapie en psychoanalyse zijn beiden gebaseerd op de theorie dat psychische problemen vaak het gevolg zijn van emotionele conflicten uit de kindertijd. Deze conflicten ontstaan vaak in relatie tot belangrijke personen zoals verzorgers en gezinsleden of in relatie tot het eigen geweten. Een kind dat een innerlijk conflict ervaart, bijvoorbeeld door een gebrek aan liefde of door een gevoel van afwijzing, kan op de negatieve gevoelens daarvan reageren met afweermechanismen als ontkenning en projectie. Dergelijk gedrag met betrekking tot emotionele conflicten die men als kind heeft niet verwerkt, kunnen onderdeel worden van de persoonlijkheid. Wanneer men volwassen is kunnen de gedragspatronen uit de kindertijd zich tijdens conflictsituaties weer doen gelden. In periodes van stress of in crisis situaties, reageert de volwassene dan op dezelfde manier als in de kindertijd.

Zowel psychoanalyse als psychoanalytische psychotherapie gaan ervan uit dat men zich doorgaans onbewust is van de vaak vergeten of verdrongen emoties die aan ons gedrag ten grondslag liggen. Tijdens psychoanalytische psychotherapie en psychoanalyse worden deze emoties bewust gemaakt. Door de verdrongen emoties in de veiligheid van de relatie met de psychotherapeut opnieuw te beleven, kunnen zij alsnog worden verwerkt. Zo kunnen de in de kindertijd aangeleerde reacties op conflicten worden vervangen door aangepaste, gezondere manieren van omgaan met conflictsituaties. Ondersteund door de psychotherapeut verdiept de cliënt zich in zijn of haar verleden. Door emotionele reacties van vroeger en van nu te analyseren gaat de cliënt de confrontatie met zichzelf aan. Deze confrontatie maakt psychoanalytische psychotherapie en psychoanalyse een inspannende en soms pijnlijke vorm van therapie. De weerstand die deze psychotherapie bij de cliënt oproept weerspiegelt vaak de intensiteit van de onderliggende onverwerkte conflicten.

Psychoanalytische psychotherapie en psychoanalyse zijn beiden gericht op inzichtgeving en zelfontdekking. Beide psychotherapieën stellen zich tot doel de cliënt te laten beseffen dat psychische klachten voortkomen uit de eigen levenshouding en dat oude gedragspatronen kunnen worden doorbroken.

Het ontstaan van psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie

Sigmund Freud (1856 – 1939) is de grondlegger van de theorie waarop psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie zijn gebaseerd. Freud raakte geïnteresseerd in het onbewuste toen hij in aanraking kwam met hypnose als therapeutische methode. Freud verving hypnose door de ‘vrije associatie’ methode. Bij vrije associatie vertelt de cliënt alles wat bij hem of haar op komt. Het model van de dynamiek van psychische klachten dat Sigmund Freud ontwikkelde heeft vrijwel alle vormen van psychotherapie beïnvloed. Psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie staan nog het dichtst bij de theorie van Sigmund Freud, hoewel ook binnen deze psychotherapieën de theorie is aangepast op nieuwe inzichten.

Psychoanalytische psychotherapie in praktijk

Aan het therapeutische deel van psychoanalytische psychotherapie gaan een aantal oriënterende gesprekken vooraf. Hierin worden tussen cliënt en psychotherapeut afspraken gemaakt over onder andere de te behandelen problematiek en de frequentie van de therapiesessies. Tijdens de werkelijke psychoanalytische psychotherapie vertelt de cliënt wat hem of haar bezig houdt en welke emoties hij of zij ervaart. Er wordt er stilgestaan bij welke herinneringen en associaties deze emoties oproepen met vroegere ervaringen. Ook gevoelens met betrekking tot de relatie met de therapeut worden onderzocht. Al deze gedachten, emoties en associaties worden geanalyseerd. Waar nodig vraagt de therapeut verder naar bepaalde emoties of associaties en kan daarop interpretaties geven. Zo wordt het therapeutisch proces op gang gehouden. De therapeut komt echter niet met kant en klare oplossingen voor problemen.

Psychoanalyse in praktijk

Hoewel psychoanalytische psychotherapie en psychoanalyse werken vanuit dezelfde theorie, zijn er toch wezenlijke verschillen in aanpak van beide theorieën te benoemen. Het voornaamste verschil met psychoanalytische psychotherapie is dat psychoanalyse nog een stuk intenser is. Een psychoanalyse heeft een frequëntie van vier a vijf keer per week en duurt enkele jaren lang. Daarbij vertelt de cliënt tijdens de psychoanalyse liggend alles wat er in hem of haar omgaat, terwijl de analyticus achter de cliënt zit. Door deze houding is er geen oogcontact. Dit zou het proces van vrije associatie vergemakkelijken. Bij psychoanalyse stelt de therapeut zich nog terughoudender op dan bij psychoanalytische psychotherapie en laat vooral de cliënt aan het woord.

Kanttekeningen bij psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie

Door de lange duur en intensiviteit van de therapie zullen psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie niet iedereen aanspreken. Ook moet de cliënt voldoende draagkracht hebben om, ondanks zijn of haar psychische problemen, de confrontatie met zichzelf en het eigen verleden aan te kunnen. Ook zijn beide therapieën inzichtgevend in plaats van oplossingsgericht. Verder wordt er binnen de wetenschappelijke psychologie getwijfeld aan de achterliggende theorie van het ‘Freudiaanse onbewuste’.

Bij welke klachten

Psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie worden ingezet bij diverse langdurige psychische problemen, waaronder: eenzaamheid, depressiviteit, lusteloosheid, een algemeen gevoel van onvrede en problemen in relaties.

Duur van de therapie

Zowel psychoanalytische psychotherapie als psychoanalyse zijn vormen van langdurige psychotherapie: beide therapieën duren enkele jaren. Bij psychoanalytische psychotherapie vinden de sessies plaats met een frequentie tussen de twee keer per week en eens per twee weken. Psychoanalyse sessies vinden gemiddeld vier tot vijf keer per week plaats.