Oorzaken van fobie

Het is belangrijk om te beseffen dat de wetenschappelijke kennis op het gebied van het ontstaan van angststoornissen en fobieën nog altijd niet volledig is. Vermoedelijk liggen er altijd meerdere oorzaken ten grondslag van een angststoornis. Een fobie ontstaat waarschijnlijk pas als gedurende een langere periode meerdere van deze factoren tegelijkertijd een rol in iemands leven spelen. Er is dus geen sprake van één definitieve oorsprong van een fobie. Hieronder volgen enkele mogelijke oorzaken.

Biologische factoren

Er kan sprake zijn van verstoringen in de werking van de hersenen. Er is dan bijvoorbeeld te weinig of teveel activiteit in een bepaald deel van de hersenen. Ook verstoringen in het niveau van bepaalde stoffen in de hersenen kunnen een rol spelen in het onstaan van een fobie. De biologische factoren van fobie zijn onder te verdelen in:

  • Oerangsten – Volgens deze theorie wordt iedereen geboren met bepaalde ‘oerangsten’. Dergelijke oerangsten waarschuwen ons bijvoorbeeld voor gevaarlijke dieren of insecten. Bij kinderen is de angst hun ouders of opvoeders uit het oog te verliezen altijd aanwezig. Deze aangeboren angsten kunnen bij sommige mensen sterker ontwikkeld zijn dan bij anderen. Mensen met een fobie hebben een bepaalde aangeboren oerangst te sterk ontwikkeld, waardoor het lichaam een waarschuwing afgeeft in de vorm van angst, op momenten dat dat niet nodig is.
  • Serotonine – Hersencellen geven door middel van bepaalde stoffen, zogenoemde neurotransmitters, signalen aan elkaar door. Een van deze stoffen is serotonine, een stof die onder andere invloed heeft op de balans van onze gemoedstoestanden. Als die balans verstoord wordt, kunnen er angstklachten ontstaan. Mogelijk zijn er nog meer neurotransmitters die eenzelfde verstorende functie kunnen hebben.
  • Medicatie en drugs – De werking van de hersenen kan ook uit balans raken door drugs of medicijnen. Dit kan invloed hebben op angst en paniek gevoelens. Ook cafeïne kan de balans verstoren en zorgen voor angstklachten.
  • Erfelijke factoren – Uit sommige onderzoeken blijkt dat angst en paniek tot op zekere hoogte erfelijk is. Over de mate van erfelijkheid is nog veel onduidelijk. Wel zeker is dat alhoewel gevoeligheid voor angst en angststoornissen dus overerfelijk kan zijn, dat niet wil zeggen dat dat ook altijd het geval is.

Cognitie

De term cognitie staat voor ons kenvermogen. Onze gedachten kunnen bijdragen aan het ontstaan van een fobie. Dergelijke denkpatronen zijn disfunctioneel omdat ze onjuist zijn en meer kwaad dan goed doen. Een voorbeeld van zo’n verkeerd denkpatroon is bijvoorbeeld het zogenaamde doemdenken.

Aangeleerd gedrag

Een fobie kan gezien worden als geheel of gedeeltelijk aangeleerd gedrag. Dit kan zich uiten in de volgende vormen:

  • Negatieve koppeling – De theorie is dat de hersenen in fobische situaties onbewust een verband leggen met soortgelijke situaties in het verleden. Zo worden bepaalde situaties gekoppeld aan angst en paniek.
  • Verwachtingsangst – Het is ook mogelijk dat er sprake is van verwachtingsangst. In de aanloop naar een situatie die gekoppeld is aan een fobische reactie, zijn er angstige gedachten. Men piekert veel, en verwacht al bijna dat de fobie zich weer zal doen gelden. Door de spanning die dit met zich meebrengt, kan er ook daadwerkelijk ruimte voor een paniekaanval ontstaan. Zodoende wordt er een angst voor de angst opgebouwd.

Eerdere levenservaringen

Volgens deze theorie kunnen fobieën voortkomen uit trauma’s of gevoelsconflicten uit de jeugd, die niet zijn verwerkt of opgelost. Als op latere leeftijd deze gevoelens en spanningen nog niet zijn verwerkt, kan dit worden omgezet in een fobie. De eigenlijke bron van het probleem ligt dan nog altijd in de jeugd. Het kan zijn dat een dergelijke fobie vooral tot uiting komt in periodes vol (emotionele) spanning en stress. Vaak zijn dit periodes van grote verandering, of bij het betreden van een nieuwe levensfase.